Geschiedenis van Nieuwpoort

Rond 1270 zijn het de heer van Liesveld en de heer van Langerak, die besluiten om, op de plaats waar hun landerijen aan elkaar grenzen, een nederzetting te stichten. Op een gunstige plaats waar een oud veen riviertje uitmond in de Lek en zo een natuurlijke haven vormt.
In 1283 worden in een handvest de bewoners van deze nederzetting "poorters" genoemd. Dus zal deze nederzetting omringd zijn met wallen en daarin poorten, en grachten.
In de middeleeuwen weten we werd de vesting meerdere malen bezet en verwoest.



Op de kaart die Jacob van Deventer rond 1560 in opdracht van Philips II getekend heeft, zijn de wallen niet aanwezig.
In een oud register uit 1600 echter kwamen we bestekken tegen van een tweetal te bouwen poorten.

 

Nieuwpoort, stedelijke nederzetting anno 1285

Volgens een reconstructietekening van H. Diepenhorst zouden deze poorten er zo uitgezien hebben.

Tevens vonden we in dit register een oude inventarisatie van archiefstukken en daarin was sprake van grond in erfpacht gegeven bij de oosterpoort en de zuiderpoort. Reden waarom we mogen aannemen dat tussen 1600 en 1672 Nieuwpoort weer omwald was en er poorten waren.

Het rampjaar 1672 was voor de vesting Nieuwpoort van grote betekenis. Wanneer in dat jaar de Franse troepen bijna ongehinderd de vesting Holland binnenvallen, is het kapitein generaal Willem van Oranje, die de waterlinie
(de latere Oud Hollandse Waterlinie ) in werking stelt.

 Door het openzetten van sluisjes en het doorsteken van dijken, ontstaat er een linie van ondergelopen land tussen Muiden en Heusden, waardoor de vesting Holland onbereikbaar wordt voor de Franse troepen. .
Het blijkt al spoedig dat deze linie veel gemakkelijker en beter beheersbaar kan worden aangelegd. Op initiatief van Prins Willem van Oranje, die inmiddels tot stadhouder Willem III is benoemd, wordt bij Bodegraven aan de Oude Rijn de Wierickerschans aangelegd.

Een paar maanden daarna valt de beslissing om de zeer strategisch gelegen vesting Nieuwpoort drastisch te veranderen en daardoor deel uit te laten maken van de Oude Hollandse Waterlinie.Om de waterlinie over te trekken, konden vijandelijke troepen gebruik maken van twee mogelijkheden, namelijk met vaartuigen over de rivier of over de rivierdijken. De vesting Holland was derhalve slechts bereikbaar via de rivieren de Lek en de Merwede of de daarbij behorende dijken. Langs de Lek lag slechts de vesting Schoonhoven, terwijl aan de zijdzijde van deze rivier geen adequate vesting aanwezig was.
Het is om deze reden dat Nieuwpoort van nieuwe fortificaties werd voorzien, omdat ter plaatse reeds een vesting, zij het een sterk verouderde, aanwezig was. Samen met Schoonhoven kon nu de rivier van beide zijden bestreken worden met het geschut. Hoe zag deze nieuwe vesting eruit? De middeleeuwse vesting die een lengte had van  600 meter en een breedte van  240 meter werd drastisch ingekort tot een lengte van  350 meter. De breedte bleef ongeveer gelijk. De vesting ging bestaan uit een aarden omwalling met op de vier hoeken van de rechthoek scherp gepunte bastions en op de twee snijpunten van de wallen en Lekdijk bastions met stompe punten.Voor de hoofdwal tussen de bastions, courtine genoemd, ligt een onderwal. Deze onderwal is bedoeld om het afschuiven van de hoofdwal in de gracht te voorkomen. Het geheel is omgeven door brede grachten.

Op de plattegrond van Bernard de Roy, in die tijd als militair - ingenieur in Utrecht werkzaam, laat mogelijk het eerste ontwerp van de vesting zien. Hij tekent nog een vesting volgens het Oudnederlandse stelsel, waarbij de bastions loodrecht op de courtine staan. Dit had als nadeel dat de bastions niet optimaal met kanonvuur konden worden beveiligd.

In het boek van Hendrick Ruse "Versterckte Vesting" uit 1654 wordt dit nadeel ondervangen door een variant met schuine bastions flanken. Bij de aanleg van de vesting Nieuwpoort heeft men deze variant toegepast. Aldus kan de vorm van de vesting worden omschreven als een tussenvorm van het Oud - en Nieuw Nederlandse stelsel.

Wanneer Willem Paen, Controleur - generaal der Hollandse Fortificatiën, in 1694 een "Memorie" opmaakt, blijkt daaruit dat pas in 1690 de half afgemaakte wallen enige vorm krijgen. In deze memorie wordt tevens een voorstel gedaan om een inlaatsluis aan te leggen waardoor het water uit de Lek via Buiten - en Binnenhaven de polder kan binnenstromen.

Daartoe is in 1693 in de zuidelijke wal in het verlengde van de Binnenhaven een opening gemaakt. Deze opening was ook berekend op doorvaart. Op die wijze konden de goederen uit de omgeving, zoals vee, kaas en hennep over water naar de Waag worden aangevoerd. Boven de in 1696 gereed gekomen inlaatsluis verrees in 1697 het sierlijke stadhuisje. Zo was de sluis goed beveiligd tegen ontevreden boeren.
Om aan de zuidzijde de vesting te bereiken wordt een ophaal brug gemaakt en de toegang wordt afgesloten met de Gravelandsepoort, met een wachtlokaal op de eerste verdieping.

Op deze poort stond in het Latijn geschreven:
"Pro defendra religione & libertate partriae haec urbs fossis moenibusque est circumdata. Anno 1673".
In het Nederlands:
"Ter verdediging van de godsdienst en de vrijheid van het land, is deze stad met grachten en wallen omringd, Anno 1673".


De oostelijke zijde van de stad werd afgesloten door een zogenaamde beer met 2 monniken.

De van boven schuin toelopende muur (zgn. "ezelsrug") diende als waterkering en vormde een verbinding tussen de rivierdijk en de vesting.

De monniken hadden tot doel de vijand te beletten via de beer de vesting te bereiken.

 

De fraaie en betrouwbare militaire kaart van J.P.Prevost uit 1727 laat ons de vesting zien met in het oostelijk midden bastion een platform of kat voor de opstelling van geschut.

Later was er vraag naar een uitgang van de vesting aan de oostzijde. Langs de beer kwam toen een houtenbrug te liggen. Na de dijkdoorbraak in Langerak in 1820 is deze vervangen door de huidige dijk.

In 1772 wordt de monding van de Buitenhaven afgesloten en vervangen door een afsluitbare duiker. Door het stijgen van het rivierpeil en het inklinken van de veenbodem is dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk. De noordelijke vestingwal dient nu als waterkering in plaats van de Hoogstraat.  

Na 1787 verschuift de waterlinie meer naar het oosten en ontstaat de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De vestingen Woerden, Oudewater, Schoonhoven en Nieuwpoort spelen dan geen rol meer. Bij Koninklijk Besluit van 21 juni 1816 wordt "Fort Nieuwpoort" opgeheven en overgedragen aan de Domeinen. En bij contract van 5 mei 1826 werden de vestingwerken verkocht aan de gemeente Nieuwpoort.
Bij veelvuldig voorkomende watersnoden in de Alblasserwaard vluchtten de bewoners naar hoger gelegen plaatsen. Een veilige vluchtplaats was de vesting Nieuwpoort. Zo hadden welgestelde boeren uit de waard een zogenaamde waterschuur in bezit binnen de wallen. In tijden van nood diende die als 
tijdelijk onderkomen voor mens en dier.

Dit is de voornaamste reden dat de vestingwerken niet zijn gesloopt, maar voor het overgrote deel bewaard zijn gebleven. Hierdoor is Nieuwpoort één van de meest gave vestingen uit de Oud-Hollandse Waterlinie.
Eind 1969 werden wallen en grachten beschermd rijksmonument. Dat had tot gevolg dat in de zeventiger jaren de zuidelijke wallen en grachten werden gerestaureerd en in het kader van de dijkverzwaring volgden de noordelijke wallen en grachten eind negentiger jaren.
Dit had tot gevolg dat de vesting er anno 2001 weer als "een plaatje" bij ligt.